Skip to the navigation Skip to the content

Certis Actueel

Kirsten Leiss: “Resistentiemanagement is een constante wapenwedloop”

Het beheersen van ziekten en plagen in land- en tuinbouwgewassen vereist een weloverwogen strategie en werkwijze, gericht op preventie en doelgericht bestrijden. Kennis van ziekten, plagen én de werking van gewasbeschermingsmiddelen is hierbij van belang. Het komt immers regelmatig voor dat belagers van gewassen minder gevoelig of zelfs resistent worden voor specifieke middelen. Kirsten Leiss van Wageningen University & Research gaat in op de vraag hoe resistenties tot stand komen en hoe we ons daartegen kunnen wapenen.

Kirsten Leiss van Wageningen University & Research
klik voor vergroting

“Laat ik vooropstellen dat ik geen expert ben in de werking van gewasbeschermingsmiddelen”, steekt Leiss van wal. “Mijn vakgebied is het onderzoeken van resistentie en plantweerbaarheid tegen ziekten en plagen in planten. Dat neemt niet weg dat ik ook wel het een en ander weet over resistentie-ontwikkeling bij ziekten en plagen. Beide aspecten vergen aandacht van telers, naast een aantal andere zaken. Daar wil ik best iets over vertellen. Wat wil je weten?”

Hoe komen resistenties tegen gewasbeschermingsmiddelen tot stand? Welke mechanismen liggen daaraan ten grondslag?
“De mechanismen kunnen heel erg verschillen, maar in de kern is het altijd genetisch bepaald. In populaties van micro- en macro-organismen zit altijd genetische variatie als gevolg van spontane of geïnduceerde mutaties. Dat kan leiden tot verschillen in gevoeligheid voor een middel tussen individuen binnen die populatie. Wanneer je een bepaald middel eenzijdig inzet, dus bij herhaling en zonder af te wisselen met middelen die een heel andere werking hebben, zal het aandeel individuen dat een behandeling overleeft stijgen. Omdat zij niet of minder gevoelig zijn, kunnen zij zich ongestoord reproduceren en hun aanvankelijk unieke eigenschap doorgeven aan de volgende generatie. Telers zullen dan teleurgesteld constateren dat een bestrijding die eerst heel succesvol was, na verloop van tijd veel minder effect sorteert.”

Sommige ziekten en plagen lijken sneller of gemakkelijker resistent te worden tegen gewasbeschermingsmiddelen dan andere. Is daar een verklaring voor?
“De kans op resistentieontwikkeling lijkt groter te zijn wanneer er middelen in het spel zijn die heel specifiek werken en waarvan de werking door een of slechts enkele gemuteerde genen is te neutraliseren. Hoe meer genen een specifieke mutatie moeten ondergaan om dat voor elkaar te krijgen, des te lastiger het voor een ziekte of plaag wordt om zich tegen het middel te weren. Van veel middelen met een brede werking, die dus meerdere ziekten of plagen tegelijk bestrijden, berust de werking hierop.”

Kun je in dat verband een parallel trekken met resistenties tegen ziekten en plagen bij planten?
Feitelijk wel. Tegen sommige ziekten kun je planten resistent maken door één gen te veranderen. Het vervelende is dat de betreffende ziekte daar vaak snel een antwoord op vindt door een tegenmutatie. Resistentie tegen valse meeldauw in sla is een bekend voorbeeld. Omdat die op een smalle genetische basis berust, ontwikkelt Bremia vrij gemakkelijk nieuwe fysio’s die zo’n resistentie doorbreken.”

“Multigeen bepaalde resistenties bij planten zijn lastiger te identificeren en in te kruisen, maar ook veel lastiger te doorbreken. Dankzij de sterke doorontwikkeling en kostenverlaging van relatief nieuwe technologieën, zoals DNA-sequencing, de CRISPR-Cas knip-en-plak techniek en metabolomics, kunnen veredelaars op dit vlak nu veel sneller vooruitgang boeken..”

“Resistentieveredeling tegen plagen krijgt dankzij dergelijke technieken ook wat meer aandacht. De meeste grote veredelingsbedrijven hebben inmiddels entomologen in dienst of werken samen met specialisten op dit gebied, wat vroeger nauwelijks aan de orde was. Dat heeft alles te maken met de complexiteit en de benodigde tijd voor onderzoek op dit gebied. Insecten zijn veel lastiger te kweken en te screenen dan micro-organismen. Tegenwoordig zoudenwe echter in vitro cellijnen kunnen kweken van plaaginsecten, die in principe geschikt zijn voor een eerste screening op DNA-niveau. Daarna kun je dan heel gericht inzoomen op specifieke levende organismen. In ons plantaardige werkgebied is het nog nauwelijks ontgonnen, maar in de humane geneeskunde en farmacologie wordt al volop gewerkt met cellijnen.”

Over meeldauw gesproken, wat zijn zoal de verschillen en overeenkomsten tussen soorten die we in de glastuinbouw tegenkomen?
“Dat is een goede vraag. Je moet ten eerste onderscheid maken tussen valse meeldauw, dat tot de oömyceten behoort, en echte meeldauw, die valt onder de ascomyceten. Deze groepen hebben duidelijk van elkaar verschillende leef- en voortplantingswijzen. Maar ook binnen die tweedeling is de variatie groot. Je zou kunnen zeggen dat elke plantensoort zijn eigen meeldauwsoort of soorten heeft. Ik heb me daar in het verleden al eens in verdiept. Van echte meeldauw in gerbera zijn in de literatuur drie soorten beschreven, waarvan Podosphaera xantii in Nederland de belangrijkste is. In roos zijn andere soorten echte meeldauw actief, waaronder Podosphaera pannosa. Daarbinnen kun je weer meerdere stammen of fysio’s onderscheiden, wat we ook al zagen bij Bremia in sla. Breedwerkende middelen hebben over het algemeen een goed bestrijdingseffect op alle soorten en stammen, al kan het van stam tot stam wel variëren. Dit zou ertoe kunnen leiden dat middelen met een heel specifieke of smalle werking de ene soort goed kunnen bestrijden, terwijl een andere soort die dezelfde symptomen laat zien er veel minder door wordt getroffen. Dan heb je alsnog last van meeldauw.”

Weten we genoeg van de levenscycli van ziekten en kunnen we daar beter gebruik van maken?
“Daar is vrij veel over bekend. Wat telers daar mee kunnen, heeft vooral betrekking op het klimaat in de kas. De sporen van echte meeldauw bijvoorbeeld kiemen bij een hoge RV, terwijl het mycelium zich juist goed ontwikkelt bij een lage RV. In een kasklimaat waar de luchtvochtigheid sterk fluctueert, zul je daarom eerder last krijgen van echte meeldauw dan in een kas waar de relatieve vochtigheid vrij stabiel is. Andere ziekten, zoals valse meeldauw en Botrytis, hebben vrij vocht nodig om te kiemen en planten te infecteren. Condensatie van vocht op het gewas kan een aantasting sterk in de hand werken en dient daarom vermeden te worden. In sommige perioden van het jaar of momenten op de dag dien je daar echt alert op te zijn.”

“Op dit moment ben ik betrokken bij een onderzoeksproject rond meeldauw in aardbei, waarin we gericht inzoomen op het microklimaat. Hopelijk komen daar kennis en praktische richtlijnen uit voort waarmee aardbeientelers meer grip krijgen op het meeldauwprobleem.”

Heb je de indruk dat telers zich voldoende inspannen om resistentie-opbouw bij ziekten en plagen te voorkomen?
“Ik geloof stellig dat telers hun best doen, maar ook dat er voor hen nog veel valt te winnen. Kijk, tegen geen enkele ziekte of plaag is een ‘golden bullet’ beschikbaar. Je moet uitgaan van een geïntegreerde benadering, waarin chemisch corrigeren of ingrijpen niet de basis vormt, maar een laatste redmiddel. Als je daarin succesvol bent hoef je minder vaak chemisch in te grijpen en zullen de middelen die nog beschikbaar zijn hun werking langer behouden, zolang je ze goed toepast en op grond van werkingsmechanismen regelmatig afwisselt. Zo’n geïntegreerde benadering staat of valt met een solide basis van biologische bestrijders, klimaatbeheersing, resistente en minder gevoelige rassen, weerbare planten én een goede bedrijfshygiëne. Op al deze terreinen vindt onderzoek en ontwikkeling plaats. Ik zou telers willen aanraden om de ontwikkelingen actief te volgen en adviseurs te vragen naar nieuwe ontwikkelingen en inzichten. In een constante wapenwedloop moet je wel in beweging blijven.”

Kunt u enkele nieuwe ontwikkelingen benoemen die voor resistentiemanagement van belang zijn?
“Een mooie innovatie voor meerjarige gewassen en gewassen met een vrij lange teeltduur vind ik de toepassing van UV-C licht om meeldauwsporen onschadelijk te maken. Vrijwel alle fungiciden werken in op kiemende sporen of op het mycelium, terwijl de sporen zelf ongemoeid worden gelaten. In langdurige teelten zie je de ziektedruk daarom vaak oplopen. Uit onderzoek is echter gebleken dat je sporen met UV-C licht wel degelijk effectief kunt bestrijden, waardoor de infectiedruk sterk afneemt en je niet meer wekelijks hoeft te spuiten. Ik heb de indruk dat telers deze methode nog moeten ontdekken.”

“Er vindt momenteel ook veel onderzoek plaats naar plantweerbaarheid, waarin het draait om de natuurlijke verdedigingsmechanismen van planten. Daar zijn vaak hormonen bij betrokken, die door externe prikkels getriggerd worden. LED-licht, waarvan je het spectrum gericht kunt sturen, lijkt in dit verband perspectief te bieden. Heel interessant, maar op zeer korte termijn valt hiervan nog niet veel te verwachten. Waar telers nu al het nodige mee zouden kunnen bereiken, is kritischer zijn bij de rassenkeuze. Binnen ieder gewas zitten grote verschillen in gevoeligheden voor ziekten tussen rassen. Daar wordt nog te weinig op gelet.”

 

Gebruik gewasbeschermingsmiddelen veilig. Lees vóór gebruik eerst het etiket en de productinformatie.